Irak, begin jaren tachtig. Een man met Iraanse roots staat in een rij. Een legercommandant houdt een lijst bij. De man heeft een gouden pen in zijn hand, en geeft die weg. Dat is het verschil tussen de bus naar de grens en een massagraf. Het is het verhaal van Amiens vader, en het is de bedrading waarmee Amien Asad zijn eigen leven begrijpt.
Asad is docent, spreker en auteur. Dertien jaar geeft hij les, hij werd uitgeroepen tot Docent van het Jaar. Maar het gesprek over zijn werk begint onvermijdelijk eerder, bij een Irakees paspoort waarop bloedlijn werd bijgehouden als burgerstatus.
"Dan staat er het bloed dat door je aderen stroomt"
In Irak werd de culturele achtergrond van inwoners gedocumenteerd in een soort burgerklasse-systeem. Asads moeder was Arabisch, volledig, klasse A. Zijn vader had Iraanse roots, een paar generaties terug, en stond geregistreerd als klasse D. "Hij had er geen last van. Hij leefde gewoon zijn leven," vertelt Asad. "Maar omdat het zo goed gedocumenteerd was, kwam er iemand aan de macht. En die zei eigenlijk heel simpel: pak al die papieren erbij. Al die minder dan klasse A-burgers, die wil ik hier niet hebben."
De mannen met klasse D-status werden opgepakt. Er zijn massagraven gevonden. Zijn vader overleefde door een gouden pen aan een commandant te geven. Zijn ouders vluchtten, eerst naar Iran, dan naar Syrië. Drie zoons werden geboren, elk in een ander land. In 1988 kwamen ze aan op Schiphol, op weg naar Manchester. Ze dachten dat het Manchester was. Het was Amsterdam.
"Ze dachten: wat praten die gasten gek Engels," zegt Asad. De autoriteiten overtuigden hen te blijven. Ze kregen een huis in Middelstum, ver boven Groningen. Buurtbewoners brachten gehaktballen en hielpen met Nederlands. Asad was één jaar oud.
De verharding die hij nu ziet
Asad tekent die warme ontvangst met weemoed. "Die positieve grondhouding die de Nederlanders toen hadden", hij noemt het met zichtbaar gevoel voor wat er sindsdien veranderde. Want hij ziet een verharding. "Er is een bepaalde problematiek in de samenleving. We hebben een woningtekort. Alles is duur. Dan is het lekker om iemand of iets te vinden die dat allemaal veroorzaakt."
Wat hem vooral stoort is de framing rondom wat hij consistent 'Nederlandse jongeren' noemt. "Het zijn geen Marokkaanse jongeren. Het zijn Nederlandse jongeren. Het zijn Nederlanders. Twee, drie generaties. Wanneer ben je Nederlander?" Hij stelt de vraag hardop, zonder het antwoord in te vullen, maar de strekking is helder. Hij ziet een patroon dat hij herkent: mensen ingedeeld op afkomst, niet op wie ze zijn.
Het alternatief dat hij bepleit is ontnuchterend simpel: een gesprek voeren zonder de bedoeling elkaar te overtuigen. "Ik vind dit, jij vindt dat, maar we gaan van elkaar leren. We gaan de rijkdom in elkaar opzoeken." Wat ontbreekt, zegt hij, is niet de wil maar de vaardigheid. En het voorbeeld vanuit Den Haag helpt niet.
Arjan de Leeuw solliciteert wel
Als jurist ondervond Asad zelf wat kansenongelijkheid concreet betekent. Na zijn studie rechten, bachelor cum laude, master met genoegen, solliciteerde hij veelvuldig en werd hij veelvuldig afgewezen. Hij begreep niet waarom, tot hij zijn naam veranderde. "Ik heb mijn naam gewijzigd. Ik heb er Arjan de Leeuw van gemaakt. Wat gewoon de vertaling is van Amien Asad in mijn optiek. Vrije vertaling. En toen werd ik wel uitgenodigd."
Hij ging niet op die uitnodigingen in. Niet uit protest, maar uit ongemak. "Ik zie er niet uit als Arjan." Het fenomeen, zegt hij, bestaat nog steeds bij zijn studenten. Mo solliciteert soms onder de naam Jan en wordt dan wel uitgenodigd. Asad weigert dit weg te relativeren, maar hij weigert ook te vervallen in slachtofferschap. "Een klap op de kin wordt je sterker van. Maar als samenleving hebben we hier wel een opdracht."
"Ik haat mijn leven op dit moment"
Het juridicarrière hield Asad niet vol. Niet omdat het mislukte, maar omdat het hem te veel kostte. Hij verdiende goed, was jong, had een veelbelovend profiel in het strafrecht. En toch: elke avond voor het slapen hartkloppingen, geen zin dat het morgen acht uur zou worden. "Ik trek het gewoon niet meer," zei hij tegen zijn vrouw.
De omslag kwam letterlijk via een tussenstap. Tegenover de bank waar hij werkte zat een ROC. Op een dag liep hij naar binnen, vroeg naar de manager, en zei tegen een vrouw die Tieneke heette: "Ik haat mijn leven op dit moment. Mag ik een keer gasles strafrecht geven?" Tieneke nodigde hem de week erop uit.
De eerste les: dertig studenten, een lokaal vol hoodies, één leerling met een enkelbandje. Asad zette zijn powerpoint aan. Aan het eind stonden ze te applaudisseren. "Meneer, volgende week weer." Hij gaf zes maanden lang in zijn pauze les, stiekem, voordat de school hem een vaste vacature aanbood. Het salaris daalde fors. Zijn vrouw zei: doen.
"Daar maak ik een propje van"
Dertien jaar later omschrijft Asad het docentschap als wereldverbetering op microniveau. Maar hij romanticiseert niet weg wat er structureel mis is. Het onderwijs heeft de hoogste uitval van alle beroepsgroepen. Er heerst wat hij een klaagcultuur noemt. "Als je willekeurig een collega vraagt hoe het gaat, zeggen ze allemaal: druk. Ik heb zelden gehoord: geweldig, ik heb net een student gesproken, tranen, fantastisch."
Zijn eigen aanpak is bewust radicaal. De officiële lesdoelen? "Daar maak ik een propje van. Die gooi ik weg. En dan ga ik met ze contact maken." Hij kijkt wat zijn studenten kijken, leest wat zij lezen, treedt toe tot hun belevingswereld. Hij geeft ook trainingen aan docenten door het hele land, APK-beurten, noemt hij ze, om collega's te herinneren aan waarom ze dit werk doen.
Hij pleit ook voor een structurele rol van ondernemers in het onderwijs. Niet als vaste docenten, maar als gastdocenten die vrijblijvend maar regelmatig voor de klas staan. "Ik spreek heel veel ondernemers die zeggen: ik zou hartstikke graag een keer willen lesgeven, maar ik wil mijn bedrijf niet loslaten." Die brugfunctie wil hij helpen bouwen.
De bedrading van een familie
Asads vader stelt hem nog altijd voor als 'mijn zoon Amien de advocaat'. Hij is al dertien jaar docent. De vader is er soms gewoon bij. "Ik zeg: wat doe je hier? Hij zegt: ik ben z'n beveiliger."
Het is een anekdote die iets wezenlijks zegt over hoe Asad zichzelf begrijpt: als product van een systeem van mensen om hem heen dat hem heeft gevormd. Zijn moeder gaf het gezin wat hij collectivisme noemt, elke dag bellen, elke dag inchecken, tafels altijd vol. "Hoe geweldig is dat? Met elkaar die verbindingen maken." Als kind schaamde hij zich soms voor zijn biculturele achtergrond in een witte school. Nu ziet hij het als verrijking.
De rode draad die hij zijn studenten, zijn kinderen en zichzelf meegeeft is één vraag: waarom doe ik wat ik doe? Niet als existentiële crisis, maar als kompas. "Zolang ik telkens antwoord kan geven op die vraag, zit ik goed." Het is de vraag die zijn vader hem onbewust meegaf toen die zei: leer de wet kennen, zodat dit ons niet nog een keer kan overkomen. Het is ook de vraag die een man met een gouden pen in zijn hand ooit heeft beantwoord, bij een bus naar de grens.