Coen Verbraak is in 2014 bezig met de zevende reeks van Kijk in de Ziel, zijn serie diepte-interviews met mensen die ergens de beste in zijn. Twaalf gesprekken, elk drie uur lang, resulterend in vijfenveertig minuten televisie per aflevering en vijfendertig dagen monteren. Per aflevering. Wie zo werkt, doet dat niet voor de efficiency. Verbraak doet het omdat hij het op geen andere manier kan.
Vier weigeringen
De meeste mensen zeiden ja. Vier niet. Mathijs van Nieuwkerk had eerst interesse, draaide bij zonder duidelijke reden te geven. Jeroen Pauw vroeg om een lijst van deelnemers, ontving die, en schreef terug dat het geen mensen waren bij wie hij zich thuis voelde. Verbraak stuurde hem een tegenvraag: bijna al die mensen zitten toch bij jou aan tafel? Hij hoorde niets meer. Eva Jinek dronk een middag koffie met hem, zou de volgende dag uitsluitsel geven van haar omroep, en dat is inmiddels een half jaar geleden. De Telegraaf-hoofdredacteur staat ook op de lijst van afhakers.
De andere twaalf zeiden wel ja. Verbraak koos bewust voor een breed palet: een misdaadverslaggever, een oorlogsverslaggever, een politiek verslaggever, een roddeljournalist. Drie van de twaalf zijn vrouwen, wat hij zelf te weinig vindt. "Ik ben geen radicale feminist, maar drie van de twaalf is vrij slecht te scoren."
'Hij gaf zichzelf al een probleem'
Het gesprek dat Verbraak de Barend Award opleverde, was het interview met Rijkman Groenink. Verbraak had een half jaar contact met hem, zag hem regelmatig, hoorde steeds dat het niet doorging, vroeg of ze toch nog eens konden praten. Uiteindelijk kwam Groenink. Een half uur te laat, met de mededeling dat hij niet wist hoe lang hij zou blijven omdat het gras gemaaid moest worden en er onweer voorspeld was.
Wat er daarna gebeurde, is inmiddels televisiegeschiedenis. Verbraak had het woord 'graaier' niet gebruikt, maar Groenink begon zichzelf er meteen tegen te verdedigen. "In dat gesprek meent hij zichzelf te moeten verdedigen van: ik ben geen graaier. Je had het woord toen nog helemaal niet in je mond genomen." Verbraak is er nuchter over: feitelijk had Groenink een punt. Het was een semantische discussie over het verschil tussen iets 'meekrijgen' en ergens 'recht op hebben'. "Feitelijk, inhoudelijk had hij natuurlijk gelijk. Het is geen dief. Het is geen crimineel. Maar doordat hij boos werd, zette hij zichzelf op achterstand."
Hoe het anders had gekund? "Als hij tegen mij had gezegd: ik ben het met u eens, 26 miljoen euro op je bankrekening krijgen, dat is op zich een gek verhaal, laat me het u eens uitleggen. Als hij het zo had gedaan, dan had het hem goed gedaan, denk ik, het gesprek."
Appeltaarten voor Hiddink
Verbraak werkt zonder redactie. Alles doet hij zelf: research, voorgesprekken, montage, kleurcorrectie. Bij de krant deed hij het altijd al zo, en hij ziet geen reden waarom televisie anders zou zijn. Voor een radioprogramma over wetenschappers heeft hij voor het eerst een redacteur ingehuurd, en hij erkent dat dat helpt. Maar voor Kijk in de Ziel wil hij het niet. "Ik wil ook dat ze voor mij komen. En dat ze denken: dat is die man die mij die mail heeft geschreven en waar ik koffie mee heb gedronken."
Die persoonlijke aanpak gaat verder dan mails sturen. Voor de serie met toptrainers wilde hij Guus Hiddink, van wie hij het contactgegeven niet meer had. De oplossing: meerdere keren langs zijn huis rijden, wachten tot het leeslampje in de bibliotheek brandde, en elke keer met een zelfgebakken appeltaart aanbellen. "Ik sta daar wel met een taart en een warme handdruk. En dan zeg ik: nou Guus, leuk je te zien. En dan zegt hij: kerel, kom binnen, wil je koffie? En dan heb ik toevallig een taart bij me."
Of hij zich niet beschroomd voelt om zo aan te bellen? Nauwelijks. De methode werkt, en Verbraak is er pragmatisch over: je kunt moeilijk een taart van drie weken geleden elke keer meenemen. Dus elke keer een verse.
'Dan vind ik dat ook wel leuk'
Verbraak beschrijft zichzelf als kalm in gesprekken, maar niet onbewogen. In de montage ziet hij soms terug dat hij er aardigheid in heeft als een gesprekspartner in het nauw wordt gedreven. Sven Kokkelman, een van de deelnemers, stelde in zijn eigen programma aan Jan Slachter de vraag wat hij verdiende. Toen Verbraak hem diezelfde vraag stelde en Kokkelman weigerde te antwoorden, wees hij hem daarop. "Maar dat vroeg je wel als eerste aan Jan Slachter." De ongemakkelijkheid die volgde: Verbraak vond die wel leuk.
Kalm blijven kost hem moeite, zegt hij zelf. Zeker in gesprekken die oplopen. "Als ik ook maar verlies in mijn emotie, dan is het weg. Dan gaan de dingen stuk en dan komt het niet meer goed. Ik moet proberen helder te blijven en de lijn vast te houden."
Een van de onthullende momenten in de nieuwe serie komt van Clary Polak. Zij vertelde dat ze een politicus interviewde die niet over een bepaald onderwerp wilde praten. Na lang onderhandelen mochten er twee vragen gesteld worden. Polak stelde er vier, want ze is een goede journaliste die doorvraagt, en de politicus was woedend. Verbraak vraagt zijn gasten ook wat ze verdienen. Polak vertelde dat ze bij de start van Nova aan Jeroen Pauw vroeg wat hij verdiende. Hij zei: 120.000 euro. De omroep bood haar 70.000 voor hetzelfde werk. "Niet omdat ze per se 120 wilde, maar wel gelijk."
Het monteren duurt 35 dagen
De controle over het eindproduct houdt Verbraak zelf. Bij zes afleveringen gaat hij zes keer mee naar de kleurcorrectie. De montage doet hij samen met een editor, maar hij zit er bovenop. Hij noemt het zelf een controlfreak-neiging, en ontkent die niet.
Wat hem opvalt als hij oud werk terugziet: hij kijkt langer dan de bedoeling was. Hij zocht een fragment, maar bleef hangen. "Dan zit ik te kijken, want ik ben het al lang vergeten hoe het in elkaar zat. En dan denk ik: oh, het is toch wel leuk."
Hij is over de helft met de serie. Volgend jaar wil hij een reeks met rechters maken, daarna misschien nog één. Religieuze leiders noemt hij als mogelijke afsluiter. Dan is het mooi geweest. De beslissers zijn er niet oneindig, legt hij uit. Je kunt een serie maken met acteurs, maar het soortgewicht wordt dunner. Hij wil aan een dokter kunnen vragen hoe die aan iemand vertelt dat hij niet meer beter wordt. Dat gaat ergens over.