← Joseph Klibansky

Longread

De kunstenaar die zijn eigen markt bouwt en er niet van wakker ligt

Joseph Klibansky verkoopt voor een half miljoen per sculptuur, heeft een eigen galerie op de PC Hoofdstraat en werkt aan een samenwerking met Disney. De kunstwereld kijkt soms schuin, maar hij trekt zich er weinig van aan.

Redactie 7DTV · 2016-10-18 · 1170 woorden

Bekijk het volledige gesprek met Joseph Klibansky op 7DTV

Joseph Klibansky groeide op in een omgeving waar beeldtaal telde. Zijn ouders werkten in de reclamefotografie, thuis werd kunst verzameld en zijn oom Rudolf was een bekende kunstenaar in Bali. Toch koos hij na de middelbare school voor een HBO-businessopleiding. Het kantelpunt kwam tijdens zijn stage, toen een bevriende galeriemedewerker hem dagelijks liet kennismaken met de kunstwereld. Die combinatie van achtergrond en nieuw perspectief bracht hem tot een beslissing: hij had iets toe te voegen. Niet omdat hij een marktprobleem zag, maar omdat hij een stijl voor ogen had die nog niet bestond. Sindsdien bouwt hij met die overtuiging een praktijk die even zakelijk is als artistiek, en die daarmee precies de spanning blootlegt die in de kunstwereld zelden hardop wordt besproken.

'Het begint vanuit expressie, niet vanuit economie'

Klibansky maakt twee soorten werk: digitale schilderijen en bronzen sculpturen. De digitale schilderijen ontstaan uit een gelaagd proces. Hij fotografeert steden op wat hij zelf een fotosafari noemt, bouwt daarna in zijn atelier een digitale collage en schildert vervolgens over die lagen heen. Alles is gepland, niets is toeval. "Op het moment dat jij een abstracte schilder bent, of je gooit verf tegen een canvas aan, dan heb je een stuk toeval wat die creatie dan wordt. En dat heb ik niet. Alles is gepland op dat plekje. Die vlinder, die bloem, alles kun je verschuiven. Dus het is eigenlijk een puzzel waar ik twee, drie maanden mee bezig ben."

De bronzen sculpturen kwamen er pas later bij, toen hij de financiële ruimte had om te starten. "Om een bronsbeeld op te starten hebben wij meestal honderd, tweehonderdduizend euro nodig om een beetje een groot beeld te maken." Zodra hij gespaard had, begon hij. Sommige sculpturen kosten een jaar productietijd, andere vier tot vijf maanden. Sneller gaat het niet, zegt hij.

De prijs van het laatste stuk

Het duurste werk dat Klibansky tot nu toe verkocht, is een sculptuur van Pinocchio, staand, met een diamant van bijna een meter op zijn nek. Vijf exemplaren, allemaal verkocht op basis van een schets aan bestaande klanten. De prijs van het laatste stuk in de serie: 450.000 euro. De logica achter die prijs is methodisch. Eerst kijkt hij naar de productiekosten en de omvang van het beeld. Dan naar de plek in zijn oeuvre. Daarna naar de positie in de oplage: het eerste stuk in een serie gaat voor een lagere prijs weg, het laatste voor meer. "De vorige was verkocht voor driehonderdvijftigduizend. En dan zegt meneer van wat is de prijs? Zeggen wij nou we willen hem verkopen voor vierhonderdvijftigduizend. We vinden het prima om daar een jaar over te doen."

Of hij zichzelf in de arm knijpt bij zulke bedragen? Niet zo veel, zegt hij. "Ik kijk echt naar de absolute wereldtop. En daar worden miljoenen betaald." Jeff Koons heeft een record van 54 miljoen dollar voor een beeld, Damien Hirst haalt acht miljoen voor een sculptuur. Bij een half miljoen is er, in zijn redenering, nog flinke ruimte omhoog.

Eigen galerie, eigen verhaal

Klibansky heeft een galerie op de PC Hoofdstraat in Amsterdam. In de kunstwereld is dat ongebruikelijk. Hij trekt de vergelijking met Damien Hirst, die met zijn bedrijf Other Criteria eigen limited editions en merchandising uitbrengt via meerdere vestigingen in Londen, en met Keith Haring, die in zijn tijd al een eigen brandstore opende. "Wat veel mensen aan het missen zijn uit de kunstwereld, is dat het businessmodel aan het veranderen is. Van het traditioneel leidend kunstenaarmodel en de galerie die alles opkoopt en die zegt, blijf jij maar vooral arm en wij regelen de rest wel, naar kunstenaars die intelligent zijn."

Social media speelt daarin een rol. Met een bereik van bijna 600.000 mensen op sociale media kan hij zijn verhaal direct vertellen, zonder tussenkomst van galeries of pers. "Je kunt dus één op één met het publiek communiceren, wat een hele belangrijke functie is."

'Hij is geliefd bij het publiek, maar wordt niet serieus genomen'

Niet iedereen in de kunstwereld is overtuigd. Ter voorbereiding op het gesprek werd Klibansky omschreven als de Helene van Rooijen van de kunstwereld: geliefd bij het publiek, maar door de serieuze scene niet echt serieus genomen. Hij reageert rustig. "De persoon die dit gezegd heeft is dus niet helemaal op de hoogte van deze ontwikkelingen. Die loopt een beetje achter de feiten aan."

Hij wijst op een show in een palazzo aan het Grand Canal in Venetië, een aankomende solotentoonstelling van vier maanden in Museum de Fundatie, en een application voor de Biennale van Venetië. De curator die zijn Venetiaanse show begeleidde, werkt ook samen met kunstenaars als Anish Kapoor en Marc Quinn. Dat zijn, in zijn woorden, grote jongens.

Over het Stedelijk Museum of vergelijkbare instellingen is hij pragmatisch. "Ik heb het idee dat de musea over het algemeen geen werken aankopen van kunstenaars die nog zo'n jonge carrière hebben. Daar zit een team dat wil dat er een langere track record is." Hij verwacht dat dat vanzelf komt, als een nieuwe generatie curatoren aantreedt die met zijn werk is opgegroeid. "Het is prima als het over vijf jaar is. Het is prima als het over tien jaar is."

Uplifting werk uit een uplifting leven

De romantische notie dat grote kunst voortkomt uit lijden, wijst Klibansky van de hand. "Van lijden komt donker werk en mijn werk is uplifting en positief. Voor mij is het een reflectie van de tijdsgeest en van de wereld waar ik in leef." Hij woont en werkt in Nederland, New York en Londen. Zoveel lijden ziet hij daar niet om zich heen. Dus waarom dat dan verbeelden? "Het werk van een kunstenaar moet een reflectie zijn van zijn gevoel. En dit is mijn gevoel momenteel."

Over onzekerheid tijdens het maakproces is hij even stellig. "Ik ben nooit onzeker. Dat is omdat ik gewoon mijn gevoel volg en dat heeft mij nooit in de steek gelaten." Het team rondom hem telt inmiddels 25 mensen, van bronsgieterij tot logistiek en boekhouding. Zijn vader en broer fungeren als klankbord. Alles wat hij ooit maakte, is verkocht.

De geldstroom gaat terug in het werk

Klibansky benadrukt dat vrijwel alle inkomsten terugvloeien in nieuwe productie. Geen externe funding, geen subsidies. "Het geld wat verdiend wordt, gaat voor 99% terug in het maken van nieuw werk en het opzetten van shows." Dat maakt zijn positie financieel kwetsbaar als de markt omdraait, maar hij ziet dat anders. "Ik ga gewoon door. Ik heb in ieder geval altijd de behoefte aan expressie en creatie. Dus daar lig ik geen seconde wakker van."

Het bredere verhaal dat Klibansky vertelt, is er een over een kunstwereld in transitie. Musea willen blockbustershows om bezoekers te trekken, kunstenaars bouwen directe relaties met hun publiek via sociale media, en het onderscheid tussen commercieel en artistiek succes vervaagt. Hij plaatst zichzelf bewust in dat midden, als ondernemer én als kunstenaar, en weigert te kiezen tussen de twee. Of de museale wereld dat ooit volledig zal omarmen, laat hij open. Dat het publiek hem al gevonden heeft, vindt hij vooralsnog genoeg.

Ondernemerspagina Joseph Klibansky →